WRITINGS

jij

ik droomde van die ene dag toen jij en ik nog konden vrijen
ik beminde jou maar vice versa kwam het er niet van
jouw genot was altijd net een stukje groter dan de mijne
ondanks dat wist jij met lief gevlei me immer te verleiden
eeuwig zou ik bij je blijven ook al was je flink bezat

ik smachtte naar die mooie nachten waarin jij me kon verblijden
vredig zwommen wij als zwanen samen in ons waterbed
onvoorwaardelijk verbonden zou de liefde ons wel lijden
zachtjes kuste je mijn hoofd en teder streelde je mijn dijen
eeuwig zou je bij me blijven had je overtuigd gezegd

echter bleek niets minder waar een week of vijfentwintig later
katers namen toe en even later was je weer bezet
blijkbaar blijven enkel zwanen eeuwig en gelukkig samen
liever zwom ik ook met jou oneindig lang in helder water
mijn gedachten worden troebel als ik zinloos met ze vecht

bevond me in een liefdesdrama zonder lang gelukkig leven
even leek het een illusie toen je schokkend naast me lag
ik doofde boze woorden zachtjes uit terwijl ik wenend beefde
wetend dat ik morgenochtend alles toch wel zou vergeven
lever ik alweer wat leven in verscheurd door jouw gezag

leugens konden me behagen tot je mij tot niets verlaagde
niets waaruit jouw onvoorwaardelijke liefde nu nog blijkt
je ogen blijven ondoortastend door mijn vloed van tranen staren
lieve God vertraag de dagen dat we eeuwig samen waren
nooit zal ik me nog een keer aan andermans gevoelens wagen
woorden komen toch wat harder binnen als je naar me kijkt

gisteren nog uitverkoren in violen en wat rozen
vandaag verlaten staar ik naar je lege flessen rode wijn
morgen wordt ik wakker met alweer een man verloren
de tijd verstrijkt te traag zolang je in gedachten blijft

roosklap

    “Je moet het zo zien”, zei haar moeder, “Je vader is niet gemeen, je vader is teleurgesteld. Als mensen teleurgesteld zijn gedragen ze zich anders dan normaal. Dat snap je wel als je later groot bent.”
     Ze knikte braaf. Haar tranen waren opgedroogd. Mama had gelijk. Mensen zijn niet boos om het boosdoen, mensen zijn boos omdat ze niet weten hoe ze moeten huilen. Sindsdien besloot ze de mensen een handje te helpen. Verdrietige vreemdelingen gaf ze een knipoog of zakdoekje. Als mensen bijna boos waren, begon ze vol overtuiging een enthousiast monoloog. Vaak werden ze dan nog bozer, maar dat hinderde niet. Ze bedoelde het goed. Later zouden ze kunnen huilen. Ze zouden niet eens weten dat ze die tranen aan haar te danken hadden, maar dat vond San niet erg. Beter de hele dag je snoet schoonvegen dan nooit je zoute tranen proeven.

Mijn fiets maakt een ratelend geluid en mijn versnelling is al weken verroest. Terwijl ik door mijn trappers schiet waait de wind een haarlok in mijn mond. Als een herkauwende koe probeer ik de pluk uit mijn mond te krijgen. Het moet een belachelijk gezicht zijn, maar wat kan mij het schelen.

Spotify beveelt al de hele dag soundtracks van musicals aan. Het eerste couplet van The Phantom of The Opera ken ik uit mijn hoofd. De muziek jaagt me op. Ondanks de mankementen van mijn bejaarde Batavus vlieg ik met zeker dertig kilometer per uur door de straten. Terwijl mijn vingers op het stuur driftig meetikken op het onregelmatige ritme van mijn omwentelingen strek ik mijn rug en ga ik op mijn trappers staan. Weer schiet ik door. Ik versnel mijn tempo en hoor de wind in mijn oren suizen. Bij aanvang van het refrein sla ik linksaf en val ik bijna van mijn fiets. Terwijl ik balans zoek, zie ik een bloedmooie vrouw uit een balustrade hangen. Ze hangt haar was op en lacht van oor tot oor, alsof het de mooiste activiteit is die ze ooit zal doen. Kijk nou San, hoe mooi. Het is goed San. Het is het godverdomme goed. Geloof er nou eens in.

Voor haar hingen een viertal meisjes in de schommel. Ze hadden allemaal dezelfde schoudertas en dezelfde onderbroek waarvan het merk net boven hun bilnaad pronkte. Een paar minuten geleden had ze nog blindemannetje met ze gespeeld. Ze waren vertrokken toen ze even niet keek. San schommelde nog wat na en liep toen door de modder naar het hek van de speeltuin. Het piepende geluid van het hek klonk zo hard als de boor van haar tandarts. Behalve het krakende hek en haar diepe ademhaling hoorde ze niks meer. San schrok van de stilte. Ze draaide zich om en met een trillende onderlip bekeek ze een lege speeltuin. 

Wat ben je toch een ongekend stuk ongeluk. C­vleugel, derde gang, zevende deur. Nog drie minuten. Rennen trut. Hol dan!

Op haar zoektocht naar de schoolbus schoot ze een heg in toen ze de meisjes met de hippe onderbroeken naar haar toe zag lopen. Omringd door prikkende takken hield zij haar adem in. Pas toen het groepje ver genoeg van haar verwijderd was, durfde ze de heg uit te gaan. Haar oriëntatie was ver te zoeken. Tijdens het dwalend rondbanjeren belandde ze respectievelijk in een weiland, naast een koe, in een eik, achter een elektriciteitshuisje en op een klimrek. Na zichzelf onderweg vermaakt te hebben met een jojo kwam ze tien minuten te laat bij de bus aan. Tot haar verbazing had iedereen een pot, schaal of mok vast. Juf Linda keek naar San en glimlachte.
   “Wat heb jij gemaakt San?”, vroeg ze belangstellend.
    San keek beteuterd naar haar voeten. Ze had niks gemaakt. Vaag herinnerde ze zich iets over potten, maar ze dacht dat ze wel geroepen zou worden. Het lag niet in haar aard om te plannen wat ze ging doen. Ze liet de dagen maar over haar heen komen en deed het liefst waar ze zelf zin in had. Schoolreisjes vond ze maar voorgekauwd. Ze voelde zich dan net een machine, aangedreven door haar klasgenootjes en juf. Al die stomme georganiseerde dingen gingen dikwijls volledig aan haar voorbij. Meestal had ze er vrede mee, maar die dag besefte ze dat ze zelf aan anderen voorbijging. In de bus bedwong zij haar tranen. 

Hijgend loop ik naar binnen. Waarom zijn alle muren groen. Waarom zijn alle deuren godverdomme óók groen? Ik besluit een kop bocht te tappen. Onderweg naar de koffieautomaat loop ik langs een vrouw die duidelijk geen cent te makken heeft. Ze heeft haar bleke gezicht in haar handen begraven. Haar zwarte, korte dreadlocks pieken alle kanten op. Schrale, opgespoten lippen steken tussen haar wijs­ en middelvinger uit. Ik denk dat ze blauwe ogen heeft. Ze drinkt dezelfde koffie als ik. Ik loop naar een bank en luister hoe mijn naaldhakken ritmisch op het laminaat klakken. Terwijl ik een bijpassend liedje probeer te bedenken, ga ik door mijn enkel en vliegt mijn kartonnen beker door de kamer. Een scheut bocht belandt op mijn voorhoofd. Kanker.

Als kind gaf ze de dagen altijd cijfers. De dagen dat ze huilde om pesterijen kregen een vier, de dagen dat ze haarzelf wist te vermaken een tien. Ze hield het Dagenrapport bij in een schoolschrift met een pronkende Pocahontas op de kaft. De klerenkast van San was rijk gevuld met outfits van al haar Disneyheldinnen. Op de vraag wat ze later wilde worden had ze nooit een antwoord, maar wie ze later wilde worden wist ze dondersgoed.

Vandaag is een vier. Waarschijnlijk is de collectieve onwetendheid het enige dat de mens bindt. Iedereen dwaalt maar wat rond en niemand snapt er een wat van. Ook die dikke man die nu binnenloopt niet, nee, die zeker niet, hij snapt er ook niks van, zijn schaamhaar steekt boven zijn joggingbroek uit en dat strakke bandshirt is weinig verhullend. Beige zweetvlekken lopen door tot zijn zij. Gadverdamme.

Geconcentreerd knipte ze de laatste vormen uit. Iedereen zou een zelfgemaakte dobbelsteen krijgen voor haar verjaardag. Ze gaf liever cadeautjes dan dat ze die kreeg en op een stoel staan vond ze maar ongemakkelijk. Al honderd opengeklapte dobbelstenen had ze uit een pak kleurpapier getoverd. Om haar heen lagen de restvormen: zuinig zijn was nooit haar sterkste kant. Mama had al tig keer gezegd dat er heus geen honderd mensen op haar verjaardag zouden komen, maar dat kon haar niks schelen. Dan kregen de lieve mensen een steentje extra.

    “Mevrouw van Dalen?”
    Een bekende stem galmt door de wachtkamer. Dokter van Westendorp staat naast de koffieautomaat. Mijn buik voelt aan als beton en ik concludeer dat het maar goed is dat de koffie mijn stoelgang niet heeft kunnen verstieren. De dokter geeft me een stevige handdruk en verdoofd zeg ik hallo. Zijn ogen kijken vriendelijk, maar zijn mondhoeken krullen slechts een beetje omhoog. Ik bal mijn vuist en loop achter hem aan.

De kanten van de dobbelstenen hadden geen ogen maar tekeningen van verschillende bloemen. San tekende dolgraag. Ze had weken geoefend om op vier vierkante centimeter de perfecte magnolia, tulp, klaproos, margriet en zonnebloem te tekenen.
     “Ik hoop dat ik de magnolia gooi!”, zei oma vrolijk.
    San was minder vrolijk. Zelf hoopte ze helemaal niet dat oma de magnolia zou gooien. Dat was nou net niet de bedoeling. Het maakt niet uit wat je gooit. Alle bloemen zijn even mooi.

Terwijl de deur voor me geopend wordt, ebt mijn buikpijn langzaam weg. We gaan zitten en halen beiden diep adem. Ik vraag me af of hij weet dat ik al lang weet hoe laat het is. Ons zwijgen duurt slechts een fractie van een seconde, maar de stilte is moordend. Dokter van Westendorp kijkt me vol mededogen aan.
    “Ik heb helaas slecht nieuws.”

De familie van San snapte er niks van. Het was een totale chaos aan tafel. Oom Henk had al zeven dobbelstenen versleten, de kat al zeven opgegeten en Roos moest huilen. Ha fijn, dacht San, je kan huilen.
    “Proef je tranen Roos!”, kraaide San vrolijk.
    Haar nichtje kon nog niet praten. Ze wilde klaprozen gooien, maar dat lukte niet. Ze had nog niet zo veel kracht in haar handen en haar dobbelsteen was niet symmetrisch. Hoe vaak ze ook gooide, de klaproos kwam maar niet boven. Het maakte haar verdrietig. Misschien herinnert Roos later deze verjaardag als de dag van de mislukking. Dat mag niet gebeuren, besloot San.
    “Het maakt niet uit Roos”, zei ze troostend, “Tulpen zijn toch ook mooi? En als je maar vaak genoeg gooit, komt die klaproos vanzelf!”
    Dat kan ik wel zeggen, dacht San, maar voor hetzelfde geld gebeurt dat nooit. De kans is klein, maar het kan. Helemaal niet erg. Maar als oma dat al niet snapt, zal een dreumes dat al helemaal niet begrijpen.

We konden weer voorzichtig glimlachen. De dokter en ik lopen de spreekkamer uit. Ik geef een stevige handdruk, bedank hem en loop naar de hoofdingang. Als ik het ziekenhuis verlaat slaat een windvlaag mijn paardenstaart voor mijn ogen. Onderweg naar mijn fiets kauw ik op mijn haar en hoor ik de soundtrack van The Phantom of The Opera. Terwijl ik mijn zoute tranen proef strek ik mijn rug, stap ik op de trappers en fiets ik in een rotvaart naar huis.

Het maakt inderdaad niks uit wat je gooit. Die steen rolt toch wel.
Maar niet alle bloemen zijn even mooi.

a song

Meisje

Ik kan altijd zo spontaan zijn
Aangenaam om bij te zijn
Ze noemen mij dat topwijf
dat heel wijs is voor haar leeftijd
Ik maak mensen aan het lachen
Ik ontroer ze met mijn zinnen
En als we samen zijn 
verzin ik altijd leuke dingen

Heb de wereld aan mijn voeten
Ik maak makkelijk contact
Ik lach ik knik ik groet ze
en de mensen zeggen dag
En als het aan de mensen ligt
ben ik anders dan de rest
Ik weet niet of het waar is 
maar geloven wil ik best

Dat meisje dat in elke groep 
haar mannetje wel staat
Dat meisje dat zelfstandig is
haar eigen gang wel gaat

Zo’n meisje dat de vreemdeling
omarmt en knuffels geeft
Zo’n meisje dat een man zo
in haar meisjeshuisje sleept

Stoere meisjes hebben schijt
aan wat de mensen van ze vinden
ze zijn gewoon zichzelf
en zouden zelfs niet anders willen

Dat meisje dat talent heeft
om echt iedereen te kennen
Het kost ons niet veel moeite
om aan deze meid te wennen

Dat meisje waar wij allemaal
Bevriend mee willen zijn
Dat meisje geeft ons liefde
Ja dat meisje is zo fijn

Een meisje dat om ieder geeft
Een meisje dat ons zo vergeeft
Een meisje dat het leven leeft

Een meisje dat ons leed verzacht
Ze helpt ons van de pijn
Dat meisje dat  we allemaal
Een beetje willen zijn

Dat meisje dat in feite in 
geen enkel hokje past
Dat meisje dat na dertig jaar 
nooit echt van iemand was